Terugblik

1861

1861 – De Maetschappij van Toonkunde

Al vóór 1890 bruiste het verenigingsleven van Deinze. Rederijkerskamers, een liberaal geïnspireerde muziekmaatschappij en een katholiek gezinde Stadsfanfare bestonden naast en soms tegenover elkaar, met de politieke tegenstelling tussen liberalen en katholieken als voortdurende ondertoon. Uit die spanningen ontstond in 1861 de Maetschappij van Toonkunde der Stad Deynze – de rechtstreekse voorloper…

Lees meer

Lees de volledige geschiedenis per periode hieronder.

Het Koninklijk Harmonieorkest Deinze heeft een zeer rijke geschiedenis achter de rug. Haar ontstaan gaat zelfs terug tot 1804, maar algemeen wordt het jaar 1890 als geboortejaar van het huidige orkest genomen. Toen werd het toenmalige Stadsfanfaren Musyk omgevormd tot de onafhankelijke Katholieke Fanfaren-Maatschappij Ste.-Cecilia. Met de jaren groeide het orkest gaandeweg uit tot een volwaardig amateurorkest op niveau, met een boeiend en soms bewogen verleden. Onderstaande terugblik is grotendeels gebaseerd op het jubileumboek “De Koninklijke Katholieke Fanfare Ste.-Cecilia van Deinze 1890-1990”, geschreven door Willy Jonckheere naar aanleiding van het eeuwfeest in 1990.

Zijden vlag Katholieke Koninklijke Fanfare Sint Cecilia 1890 1933
Zijden vlag van de Katholieke Koninklijke Fanfare Sint-Cecilia naar aanleiding van haar 43-jarig bestaan in 1933
Kostuum Sint Cecilia jaren 1960
Kostuum van de fanfare Sint-Cecilia te Deinze uit de jaren 1960

1804 – 1890

Van Rederijkerskamer tot Katholieke Fanfare

De heilige Cecilia, patrones van de muziek.

De heilige Cecilia, patrones van de muziek.

Al vóór 1890 bruiste het verenigingsleven van Deinze. Rederijkerskamers, een liberaal geïnspireerde muziekmaatschappij (“Vooruit!”) en een katholiek gezinde Stadsfanfare bestonden naast en soms tegenover elkaar, met de politieke tegenstelling tussen liberalen en katholieken als voortdurende ondertoon. Meermaals liep de discussie tussen stadsbestuur en muzikanten hoog op over wie de instrumenten, de vaandels en zelfs de naam “stadsmuziek” mocht dragen.

Uit die spanningen ontstond in 1861 de Maetschappij van Toonkunde der Stad Deynze, de rechtstreekse voorloper van de latere fanfare. Voorzitter Karel Declerck (1828-1890) leidde deze maatschappij tot aan zijn overlijden in 1890 – net op het ogenblik dat de vereniging heropgericht werd als de onafhankelijke Katholieke Fanfaren-Maatschappij Ste.-Cecilia, met dokter Eduard Galens (1840-1924), tevens burgemeester van Deinze, als eerste voorzitter (aangesteld 5 augustus 1890). Muziekmeester Hendrik Mestdagh (1838-1918), die de fanfare al sinds 1861 mee vormgaf, bleef aan als dirigent – dat zou hij nog blijven tot 1912: meer dan vijftig jaar toewijding aan de opleiding van jonge muzikanten.

1890 – 1914

Een eigen vaandel en de belle époque

Eduard Galens, voorzitter (1890–1919), en Hendrik Mestdagh, bestuurder en dirigent (1890–1912).

Eduard Galens, voorzitter (1890–1919), en Hendrik Mestdagh, bestuurder en dirigent (1890–1912).

In 1894 kreeg de jonge fanfare haar eerste vaandel, een geschenk van erevoorzitter Astère de Kerchove de Denterghem. Het kostbare stuk wordt vandaag nog bewaard in het Museum van Deinze en de Leiestreek. De maatschappij trok in die jaren naar tal van festivals in Vlaanderen (Gent, Kortrijk, Blankenberge, Aarsele, Gavere…) en verzamelde er een indrukwekkende reeks medailles. Rond 1900 kreeg de fanfare haar eerste echte galakostuum: een militair uitziend uniform met lange mouwen, gouden knopen en een sabel.

Op 8 april 1912 nam Hendrik Mestdagh, na meer dan een halve eeuw dienst, afscheid als dirigent. Hij werd gehuldigd met een bronzen borstbeeld van componist Grétry en droeg de dirigeerstok over aan Jules Nachtergaele (1875-1965), die het korps de volgende decennia – met een korte onderbreking – zou blijven leiden.

1914 – 1940

Oorlog, de titel “Koninklijk” en het interbellum

Oscar Agneessens, voorzitter tot zijn overlijden in 1942.

Oscar Agneessens, voorzitter tot zijn overlijden in 1942.

Na de Eerste Wereldoorlog herpakte de fanfare zich snel. Secretaris Oscar Van Landeghem trok in 1920 de kaart om bij koning Albert I de titel “Koninklijk” aan te vragen – meer dan 25 jaar bestaan gaf daar volgens hem alle recht toe. Op 13 juni 1920 kwam de koninklijke goedkeuring binnen: voortaan mocht de vereniging zich Koninklijke Katholieke Fanfare Ste.-Cecilia noemen.

De jaren ’20 en ’30 stonden in het teken van festivals, provinciale muziektornooien (met een mooie klassering in de ere-afdeling te Oudenaarde in 1931) en een steeds hechtere band met de stad. Op 11 november 1931 werd Hendrik Mestdagh, dan al bijna twintig jaar met pensioen, nog eens gevierd als “de grondlegger onzer fanfaren”, en in 1933 kreeg de fanfare een gloednieuwe vlag van de Brugse firma Slabbinck. Voorzitter was intussen Oscar Agneessens (1874-1942), die het voorzitterschap enkele jaren na het overlijden van Eduard Galens had overgenomen.

1940 – 1947

De Tweede Wereldoorlog: vier jaar stilte, een dubbel verlies

Jozef Vermeersch, voorzitter van 1945 tot zijn overlijden in december 1974.

Jozef Vermeersch, voorzitter van 1945 tot zijn overlijden in december 1974.

Op 10 mei 1940 viel de fanfare, zoals het hele land, stil. Vier volle jaren bleef ze non-actief; elke samenwerking met door de bezetter gecontroleerde koepelverenigingen werd principieel geweigerd. Voorzitter Oscar Agneessens werd vanaf 1941 ziek en moest het voorzitterschap overlaten aan ondervoorzitter Jules Maere. Op 20 november 1942 overleed Agneessens, 68 jaar oud; onder grote belangstelling werd hij vier dagen later ten grave gedragen.

Pas na de Bevrijding, vanaf oktober 1944, kwam de draad weer op gang. Op 3 juli 1945 werd een volledig vernieuwd bestuur geïnstalleerd: Jozef Vermeersch (1907-1974), geboren en getogen Deinzenaar, werd de nieuwe voorzitter, met Carlos Maere (1907-1997) als ondervoorzitter. Als dirigent kwam Oscar Van Landeghem (1886-1947), die al sinds 1914 als onderdirigent actief was, eindelijk zelf aan het roer te staan – tot hij op 25 juni 1947, amper twee jaar later, omkwam bij een verkeersongeval. Het bestuur haalde daarop de inmiddels bijna zeventigjarige Jules Nachtergaele terug uit zijn pensioen: hij zou blijven dirigeren tot vlak voor zijn tachtigste verjaardag.

1945 – 1974

Majoretten, internationale reizen en televisie

Ceciliafeest 19 november 1950: diamanten jubileum van de fanfare, in aanwezigheid van minister Gerard Van den Daele.

Ceciliafeest 19 november 1950: diamanten jubileum van de fanfare, in aanwezigheid van minister Gerard Van den Daele.

Onder het bijna dertigjarige voorzitterschap van Jozef Vermeersch beleefde de fanfare een ware bloeiperiode. Camille Mellaerts (1904-1975) nam in de jaren ’50 de dirigeerstok over van Nachtergaele. Vanaf 1958 bracht showmaster Daniël Delva een heuse majorettengroep op de been – geïnspireerd op de Amerikaanse showtraditie en een primeur in de Belgische fanfarewereld – die de fanfare tientallen prijzen en internationale uitnodigingen opleverde: van Bergen-op-Zoom en Rozendaal in Nederland tot Tourcoing, Lille, Arras en Compiègne in Noord-Frankrijk. De majoretten haalden zelfs de tv-journaals, onder meer naar aanleiding van de legendarische voetbalmatch België-Spanje in het Heizelstadion (1962).

Het jaar 1974 bracht een zwaar dubbel verlies: op 8 juni overleed secretaris Eugeen Duyck, op 8 december volgde voorzitter Jozef Vermeersch – “een ongeluk komt nooit alleen”, schreef de kroniekschrijver toen. Twee jaar eerder, op het Ceciliafeest van 26 november 1972, was Camille Mellaerts al met een kristallen vaas uitgewuifd als dirigent, na een lange carrière. Zijn opvolger, Willy Van De Genachte (1926-2002), bracht een indrukwekkend palmares mee: laureaat van het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent, jarenlang klarinettist en onderkapelmeester bij de Muziekkapel van de Belgische Zeemacht, en tegelijk dirigent en leraar bij verscheidene harmonies, fanfares en muziekacademies in Oost- en West-Vlaanderen.

1974 – 1990

Een nieuwe generatie en het eeuwfeest

Carlos Maere, voorzitter 1974–1976, en Gentiel De Smet, voorzitter vanaf november 1977.

Carlos Maere, voorzitter 1974–1976, en Gentiel De Smet, voorzitter vanaf november 1977.

Carlos Maere volgde Vermeersch op als voorzitter, maar bood in oktober 1976 onverwacht zijn ontslag aan. Ondervoorzitter Stefaan De Baere (1928-2001) nam het waarnemend voorzitterschap op zich, tot Gentiel De Smet (1921-2003) – geboren te Zingem als een van een tweeling en van beroep aannemer – op 17 november 1977 het roer overnam. Onder zijn leiding groeide de fanfare verder: in 1980 werd het negentigjarig bestaan gevierd met een jubileumconcert in de Brielpoort en een internationale taptoe met onder meer een Amerikaanse legerband, en in 1988 werd Daniël Dossche de nieuwe erevoorzitter.

In 1990 vierde de Koninklijke Katholieke Fanfare Ste.-Cecilia haar honderdjarig bestaan: een nieuw vaandel, een fraai jubileumbord, een indrukwekkend erekomitee – met onder anderen toenmalig eerste minister Wilfried Martens – en het verschijnen van het jubileumboek van Willy Jonckheere, waarop deze terugblik grotendeels is gebaseerd.

1990 – vandaag

Van “Koninklijke Katholieke Fanfare” tot Harmonieorkest Deinze

Foto van Harmonieorkest Deinze

De harmonie van Deinze was tot 2010 gekend als “Koninklijke Harmonie Sint-Cecilia Deinze”. De naam veranderde toen in “Harmonieorkest Deinze”, eventueel voorafgegaan door de officiële titel “koninklijk” die de harmonie al sinds 1920 draagt. Daarmee wou het orkest geen antiklerikaal statement maken, maar wel een kortere, krachtigere naam voeren – de start van een nieuw elan. Sindsdien bleef het orkest, onder meer onder de voorzitters Stefaan De Baere (die het voorzitterschap later opnieuw opnam) en Luc Cornelis, en dirigenten als Julien Stofferis, Paul Voet en Jan De Smet, verder bouwen aan deze meer dan 130-jarige traditie.

Wie de volledige lijst van voorzitters en dirigenten met portret wil bekijken, vindt die op de pagina’s Bestuur en Dirigent.

Boek

Over de geschiedenis van de harmonie verscheen in 1990 het boek “De Koninklijke Katholieke Fanfare Ste.-Cecilia van Deinze 1890-1990” van Willy Jonckheere. Het boek is ter beschikking in de bibliotheek van Deinze.

Een mooi citaat uit een van de toespraken op het eeuwfeest van 1990 vat samen waarom dit alles al meer dan een eeuw de moeite waard is:

“Muziek, dat is een korf van vreugd voor wie haar beoefent en aanhoort. Muziek is blijdschap die verheugt, in zuivere tonen eenieders hart bekoort… Muziek, dat is de taal van vrede, geborgen in de mensen-aard. Muziek is een boek van klankgebeden, een fortuin: onschatbare schatten waard.”